Onze campagnes

.

Het stemadviesinstrument van WijBurgers

Geplaatst op 19/03/2018 in Non classé.

Naarmate de verkiezingen naderen, willen sommige burgerbewegingen en belangengroepen een stemadvies uitbrengen. Het is interessanter om kandidaten aan te bevelen dan partijen, maar dat vraagt een aanzienlijke inspanning. WijBurgers is de technische kracht waarmee een dergelijk project eenvoudig en efficiënter kan worden gerealiseerd.

 

Situatie zonder onze tool

Sommige groepen schrijven een vragenlijst om te beoordelen welke kandidaten bij de verkiezingen het beste hun belangen/waarden verdedigen. De inspanning om contact op te nemen met de kandidaten is zo groot dat die groepen het opgeven en gewoon de partijen ondervragen. Na een manuele analyse kunnen zij vervolgens de vergelijking tussen de partijen verspreiden. Tenzij de media er aandacht aan besteden, blijft de verspreiding van de resultaten zeer beperkt.

 

Voordelen van de tool van WijBurgers

  • De klant hoeft zich niet meer om administratieve taken te bekommeren en kan zich op de communicatie en op het mobiliseren van kiezers concentreren.
  • De klant bereikt veel meer politieke kandidaten in alle kieskringen.
  • Als de klant de antwoorden van de kandidaten zelf zou inzamelen, zou hij een systemische fout kunnen ondergaan (wegens ‘berekende’ antwoorden).
  • WijBurgers draagt bij aan de verspreiding van de resultaten.

 

Diensten van WijBurgers: basisaanbieding tegen € 2.870

  1. Vragenlijst:
  2. WijBurgers reviseert de bewoording van de door de klant gekozen gesloten vragen, meestal een zestal. De vragen worden vertaald zodat ze beschikbaar zijn in het FR-NL-EN-DE.

  3. Registratie in de databank:
  4. WijBurgers doet een aanzienlijke inspanning om de kandidaten voor de bedoelde verkiezingen in de databank op te zoeken of te registreren.

  5. Inzameling van antwoorden
  6. WijBurgers stuurt alle beoogde partijen en kandidaten een e-mail met een uitnodiging om de vragenlijst in te vullen. Er worden regelmatig herinneringsmails gestuurd naar degenen die niet hebben gereageerd.

  7. Campagnetool
  8. Om de respons van de kandidaten te verhogen, biedt WijBurgers de klant de campagnetool aan. Dat is een webpagina waarmee de gebruiker in een paar klikken persoonlijke herinneringen kan sturen naar politici die de vragen nog niet hebben beantwoord. De klant kan de URL naar die pagina onder al zijn sympathisanten verspreiden.

  9. Onmiddellijke publicatie van de ingezamelde antwoorden
  10. In de Politieke Databank van WijBurgers vindt iedereen gemakkelijk en gratis de antwoorden van de politici terug. De databank is de grootste, publiek toegankelijke kruispuntbank van de politiek in België.

  11. Opstellen van een ranglijst van kandidaten en partijen

De berekeningsmethode is dezelfde voor de kieswijzer. De klant heeft een link naar deze dynamische resultatenpagina (d.w.z. dat ze altijd up-to-date is, rekening houdend met de nieuwe verzamelde informatie). De klant kan de resultaten in een andere, door hemzelf te creëren vorm presenteren, met de vermelding: “Rangschikking berekend door WijBurgers gebaseerd op de instructies van [de klant]”.

 

Diensten van WijBurgers: premiumaanbieding tegen € 5.600

Naast de standaarddiensten bevat het pakket:

  1. Toelichtingen
  2. Op basis van de informatie die onder andere door de klant wordt verstrekt, schrijft WijBurgers een neutrale toelichting van maximaal 800 tekens die bij de vraag wordt gevoegd. Daarin wordt de context en de kwestie uitgelegd door middel van ondersteunende cijfers, indien mogelijk. De toelichting wordt vertaald en is zodanig beschikbaar in het FR-NL.

  3. Aankondiging
  4. De campagne (zie (d) hierboven) wordt aangekondigd in de nieuwsbrief van WijBurgers die naar meer dan 90.000 bestemmelingen wordt verstuurd, waaronder politieke journalisten.

  5. Politieke partijen
  6. Als de herinneringsmail naar de politieke partijen zonder gevolg blijft, worden er persoonlijkere stappen ondernomen om reacties van de partijen te verkrijgen. Het gaat om partijen met minstens een volksvertegenwoordiger.

  7. Pagina met toelichting (dienst binnenkort operationeel)
  8. WijBurgers publiceert voor elke vraag een geïnventariseerde pagina die toegankelijk is via de zoekmachine, waarop alle beschikbare informatie over de vraag wordt weergegeven, met name statistische gegevens over de standpunten van de politieke actoren. Het gaat hier om kwesties die onder de bevoegdheid van ten minste één parlement vallen.

  9. Virtuele stemming in het parlement (dienst binnenkort operationeel)
  10. De pagina met uitleg bevat het resultaat van een virtuele stemming in elk betrokken parlement: als de vraag vandaag in het parlement in stemming zou worden gebracht, wat zou dan het resultaat zijn? De berekening is gebaseerd op de partijreacties in de Politieke Databank.

  11. Bekendmaking van de aanbeveling
  12. WijBurgers publiceert de lijst van stemadviezen die met behulp van haar tools zijn opgesteld. De publicatie is alleen mogelijk als voldoende klanten (in principe tien) een beroep hebben gedaan op de premiumdiensten van WijBurgers.

  13. Peiling van de publieke opinie

Als er vragen van de klant in een Kieswijzer worden opgenomen, worden zij aan een publieke opiniepeiling onderworpen.

 

Gouden aanbieding tegen € 10.000

Naast de premiumdiensten bevat het pakket:

  1. Parlementaire stemmingen
  2. WijBurgers onderzoekt of er in de afgelopen vier jaar over de kwesties is gestemd in het parlement en schrijft de resultaten neer op de toelichtende pagina.

  3. Meningen van andere invloedrijke personen
  4. WijBurgers screent de pers om invloedrijke personen te identificeren die zich (voor of tegen) over het onderwerp hebben uitgesproken: universiteitsprofessoren, experts van denktanks, commentatoren enzovoort. De personen worden aan de Politieke Databank toegevoegd.

  5. Artikel

WijBurgers publiceert in haar nieuwsbrief een neutraal artikel met argumenten voor en tegen. In het artikel worden eveneens de antwoorden van de politici geanalyseerd.

 

Contact

Jean-Paul Pinon, Pinon (at) WeCitizens (dot) be, 0497 527751.

 

Het bovenstaande aanbod is onder voorbehoud. De geldende prijzen zijn de prijzen die op de dag van de schriftelijke bestelling op de website van WijBurgers zijn gepubliceerd. Laatst bijgewerkt op 19 maart 2018.

 

Tips voor de kiezer

Geplaatst op 23/02/2018 in Een betere werking van de democratie, Non classé.

1. Stem voor individuen.

In (bijna) alle partijen zijn er goede of middelmatige kandidaten op het vlak van competenties, toewijding, integriteit enz. Wegens de verwatering van verantwoorde­lijkheden is het moeilijker om een partij aansprakelijk te stellen dan individuen.

 

2. Stem enkel voor transparante kandidaten.

Door te stemmen voor een kandidaat verleent u hem potentieel een aanzienlijke macht, over de maatschappij en dus over u. Indien hij weigert te antwoorden op onze vragen of indien hij zich verzet tegen de publicatie van pertinente informatie in onze politieke databank, verdient hij dan uw vertrouwen? Een integere en competente kandidaat heeft er alle belang bij om transparant te zijn.

 

3. Kies voor de kandidaten die het best aansluiten bij uw politiek profiel.

U zult individuen vinden die dichter staan bij uw overtuigingen dan het (soms veranderende) gemiddelde van de partij. Dankzij de door WijBurgers ter beschikking gestelde Kieswijzer, is het makkelijk om de kandidaten naar uw hart te vinden! Zelfs als u reeds beslist hebt voor welke partij u gaat stemmen, dan nog is het belangrijk de Kieswijzer te raadplegen, om de geschikte kandidaten te selecteren.

 

4. Vorm u een idee van de professionele competentie en integriteit van de kandidaat.

Werp een blik op de fiche van de kandidaat in de politieke databank voor een interessante indruk. Stelt u vast dat belangrijke gegevens ontbreken in de politieke databank, verwittig dan WijBurgers, met aanduiding van uw bronnen.

 

5. Stem indien mogelijk voor meerdere, goed gekozen kandidaten.

Kies binnen de grenzen van de kiesvoorschriften voor alle kandidaten die uw voorkeurstem verdienen. U kunt binnen eenzelfde lijst kiezen voor alle kandidaten die u wilt.

 

6. Bespreek het resultaat van uw onderzoek rond u.

De stemming is geheim ter bescherming van de kiezer, maar niemand is verplicht om zijn stem geheim te houden! Door ideeën te bespreken met anderen begeeft u zich goed voorbereid naar het kiesbureau.

Gemeenteraads­verkiezingen en mobiliteit

Geplaatst op 16/12/2017 in Non classé, WijBurgers.

Stadsplanning en mobiliteit zijn steeds belangrijker bij het gemeentelijk beleid: tolheffing in steden, de aanleg van veilige fietspaden, wandelstraten, snelheidsbeperkingen op voertuigen … De lokale afgevaardigden bepalen, met name in steden, ons dagelijkse leven.

 

Tol in de Belgische steden?

Een vaak geopperd idee om de verkeersopstoppingen in stadscentra te verminderen, is het invoeren van een tolheffing in steden. Automobilisten betalen om door het centrum te rijden, zoals dat in Londen al het geval is. Tijdverlies door files brengt veel hogere kosten met zich mee, maar die kosten zijn niet transparant: ze worden niet in de rekeningen van bedrijven en huishoudens opgenomen.

Uit een studie van Stratec, een onderzoeksbureau dat gespecialiseerd is in mobiliteit, blijkt dat een tol van 3 euro per dag voor elke automobilist die tussen 6.00 en 10.00 uur op weekdagen in het centrum van Brussel rijdt, de stad ongeveer 325 miljoen euro per jaar zou opleveren. Met die ontvangsten zou de stad de renovatiekosten voor de tunnels kunnen betalen. Dergelijke tolgelden zouden bijvoorbeeld ook in Antwerpen of Luik kunnen worden ingevoerd, maar volgens het Huis van Ondernemingen (BECI) is een tolheffing in steden duur en onpopulair. Bovendien werkt de invoering van een tolheffingssysteem in steden volgens de ervaringen in Londen slechts voor een beperkte periode. De gemiddelde snelheid in het centrum waar de tol van toepassing is, daalt daar al enkele jaren, wat betekent dat voor steeds meer voertuigen tol wordt betaald om in het centrum te rijden.

 

Is de fiets een doeltreffend alternatief?

De gemeenten beschikken over verschillende middelen om het dagelijkse leven van fietsers te verbeteren. Een eerste mogelijkheid is om meer fietsenstallingen te bouwen, vooral in de buurt van treinstations. De installatiekosten van die fietsenstallingen zijn laag: 300 euro voor 5 dragers. Anders zijn de gevolgen voor de begroting als je een bewaakte parkeerplaats overweegt, maar die dienst kan betalend worden gemaakt.

Een andere mogelijkheid bestaat in het creëren van veilige fietspaden die van de weg gescheiden zijn. Volgens een studie van de FOD Mobiliteit in 2016 gebruikt iets minder dan 10 % van de Belgische werknemers de fiets om de werkplek te bereiken. Dat cijfer stijgt naar bijna 15 % in Vlaanderen, maar daalt tot minder dan 5 % in Wallonië en Brussel. Juist in Vlaanderen, waar fietspaden het veiligst zijn, gebruiken de mensen het meest hun fiets. Dergelijke fietsroutes moeten echter worden gepland en bestaande wegen hebben niet per se de ruimte om, met name in steden, gescheiden fietspaden op te nemen.

Gedeelde fietsen zoals de Villo!, oBike en Billy Bike worden steeds populairder in Brussel. GoBee Bike heeft geprobeerd om een flexibeler systeem te implementeren dan Villo! omdat de gebruiker de fiets achterlaat waar hij maar wil. Hij vindt een vrije fiets middels een applicatie op zijn smartphone. GoBee Bike heeft zijn project helaas opgegeven vanwege het vandalisme dat zware verliezen veroorzaakte.

Het fietsgebruik in Brussel steeg in 2016 met 4,6 % ten opzichte van 2015. Villo! Had meer dan 1,5 miljoen reservaties in 2016. Toch gebruikt slechts een kleine minderheid van de pendelaars de fiets om naar het werk in de hoofdstad te rijden (minder dan 5 %). Vooral andere verplaatsingen dan die naar het werk worden met de fiets gedaan.

 

Autovrije gebieden ter discussie

De aanleg van voetgangerszones werd door de jaren heen gesteund en bekritiseerd. Volgens een studie van Atrium Brussels, het regionale handelsagentschap, heeft een voetgangerszone veel gebreken. Veel mensen leveren kritiek op het beheer door de stad Brussel van het project betreffende de voetgangerszone rond de Beurs. Toch wordt het idee van de voetgangerszone volgens Atrium Brussel door een meerderheid van de voetgangers (zeven op de tien) en handelaars (iets meer dan 50 %) ondersteund.

Het is een feit dat de meeste Belgische steden te maken hebben met een achteruitgang van hun winkelstraten en dat is vooral het geval in Vlaanderen, met een daling van meer dan 15 % in de lokale handel. De voetgangerszone is daarom een optie voor de gemeenteoverheden in een poging om haar handelscentra in verval te doen herleven.

 

Snelheidsbeperking

De verkeersveiligheid moet ook worden gewaarborgd voor alle weggebruikers, van vrachtwagens tot fietsen. Uit een studie van het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid (BIVV) in 2012 bleek dat “de gemiddelde snelheid van een automobilist die niet gehinderd wordt door de verkeerssituatie hoger is dan de maximumsnelheid die op alle wegtypen is toegestaan behalve op wegen waarop 90 km/u mag worden gereden“. Om dat tegen te gaan, hebben gemeenten de mogelijkheid om obstakels op de wegen te plaatsen, variërend van chicanes tot Berlijnse kussens.

Hoewel die wegobstructies automobilisten dwingen om te vertragen en zo hun doel gemakkelijk bereiken, blijven ze niet zonder kritiek. In 2016 bekritiseerde Touring het gebruik van verkeersdrempels door gemeenten als excessief en vaak niet in overeenstemming met de bestaande wetgeving. Ze zijn vaak te hoog en veroorzaken zo schade aan auto’s. Er kunnen twee alternatieven worden voorgesteld.

De eerste, ter vervanging van de verkeersdrempels, zou de uitbreiding van de zone 30 zijn. Volgens de woordvoerder van de GRACQ zouden de voordelen daarvan onder andere zijn dat het aantal ongevallen en de ernst ervan verminderen, de vervuiling afneemt en het verkeer vlotter doorstroomt. Omgekeerd heeft de Ligue de défense des conducteurs een studie verricht waarin wordt gesuggereerd dat de beperking van de snelheid binnen de bebouwde kom tot 30 km/u de vervuiling verhoogt omdat het motortoerental namelijk hoger is bij 30 km/u dan bij 50 km/u, en omdat de reistijd verhoogt, het aantal ongevallen niet vermindert en kan belemmeren dat hulpverleningsvoertuigen vlot doorstromen, waardoor levens in gevaar kunnen komen.

De tweede oplossing, die in de meeste van onze gemeenten al wordt gebruikt, zijn flitspalen. Ze doen het verkeer vertragen en bieden de gemeente een financiële steun. Volgens een studie van de Universiteit van Hasselt “verlaagt een flitspaal op een kruispunt het aantal ongevallen met 14 %, terwijl het aantal letselongevallen met 27 % vermindert“. Er is echter een grote stijging van het aantal kop-staartbotsingen doordat bestuurders plotseling remmen als ze de camera naderen.[1] Bovendien vertonen ze ook gebreken. Met name in Vlaanderen zou meer dan één radar op vijf problemen vertonen en de Vlaamse minister van Mobiliteit, Ben Weyts, klaagt dat hij hun functioneren niet kan garanderen.

 

Jonathan Jacquemart, 16 december 2017.

[1] CENTREX WEGVERKEER, http://www.lokalepolitie.be/centrex/nl/home/effectiviteit-van-flitspalen.html (geraadpleegd op 16-12-17).

Kwestie voor de gemeenteraadsverkiezingen: veiligheid

Geplaatst op in Een betere werking van de democratie, Non classé.

 

De gemeenten bestrijden als eerste radicalisering, zij bestraffen onbetamelijk gedrag en pakken de diefstal aan van auto’s, fietsen enz. De gemeentebesturen beschikken daarvoor over een heus apparaat, dat verder reikt dan de politie. Focus op repressie of preventie? Dat is vaak het dilemma waar lokale verkozenen voor staan.

 

Gemeentelijke administratieve sancties (GAS)

Op grond van de wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties kunnen gemeenteambtenaren sancties opleggen voor overlast of kleine misdaad. Lokale mandatarissen maken de wet niet, maar kunnen besluiten er geen gebruik van te maken. Burgers zijn betrokken in die keuze. Tegenstanders van die wet willen de scheiding der machten tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht behouden. Voorstanders van de wet willen voorkomen dat de rechterlijke macht wordt gehinderd door “futiliteiten”. Door de procedure te compliceren, wordt ze traag en duur voor de belastingbetaler. Dat ontmoedigt de overheid om misdaden te bestraffen. Verhoging van de straffen, met name boetes, kan burgers ervan weerhouden dergelijke overlast te plegen.

Op vergelijkbare wijze, maar over een ander onderwerp, wordt ook het debat aangesneden over de leeftijd waarop gemeenten hun burgers kunnen bestraffen die zich schuldig hebben gemaakt aan een vergrijp. Op 24 juni 2013 nam Joëlle Milquet, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, de wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties aan die de gemeentelijke autoriteiten machtigt om jongeren die de volle leeftijd van 14 jaar hebben bereikt administratief te straffen (tegen 16 jaar voordien).[1] De gemeente zal echter eerst de jeugdinstanties of -organen moeten raadplegen alvorens een sanctie op te leggen en zal ook contact moeten opnemen met de ouders of voogden van de jongere. Het debat over het nut van een dergelijke hervorming wordt tot op vandaag gevoerd, waarbij sommigen beweren dat 14 jaar veel te jong is om administratief te worden bestraft. Deze wet, die uit de voormalige regering-Di Rupo is voortgekomen, wordt nu gesteund door de MR. Die partij wil in haar nieuwe programma voor de gemeenteraadsverkiezingen het gebruik van sancties tegen 14-jarigen veralgemenen, met maatregelen die aangepast zijn aan de leeftijd en de specifieke situatie van de dader.[2]

 

Alternatieve straffen

Nog steeds in verband met de GAS rijst de vraag betreffende de straffen. Moet er meer gebruik worden gemaakt van taakstraffen, ook wel gemeenschapsdienst genoemd? Wanneer een gemeente een GAS oplegt, moet de veroordeelde persoon een boete betalen en kan het hem verboden worden zich naar een bepaalde plaats in de gemeente te begeven.[3] Het debat over het belang om die mensen werken van algemeen nut op te leggen, is nu gaande. In plaats van de administratieve boete heeft de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke adminisratieve sancties gemeenten toegestaan om personen, die zich schuldig hebben gemaakt aan een overtreding, voor te stellen vrijwillig te kiezen voor het verlenen van gemeenschapsdienst, die bestaat uit een opleiding of een werkzaamheid van algemeen nut.[4]

 

Avondklok

Gemeenten mogen ook een avondklok gebruiken als zij dat nodig achten. Hoewel er in sommige gevallen geen kritiek is op het gebruik ervan, wordt een avondklok voor jongeren soms sterk aangevochten. Een veelgehoorde kritiek is dat zulke avondklok jongeren stigmatiseert, waardoor delinquenten met probleemloze jongeren worden geassocieerd. Het officiële jongerenorgaan in de Franse gemeenschap stelt: “Dit soort maatregelen is geen valide reactie op de opbouw van onze samenleving: ze is anti-pedagogisch, ongepast, contraproductief en creëert een klimaat van angst en onnodige spanning“.[5]

 

Straathoekwerkers

Of het nu voor jongeren of volwassenen is, preventie, dialoog en overleg tussen verschillende maatschappelijke groepen zijn ontwikkelingen die gemeenten in overweging moeten nemen. Daarom huren sommige gemeenten straathoekwerkers in, niet te verwarren met vredesbewaarders. De eerstgenoemden zijn er om sociale banden binnen de gemeente te bevorderen. Ze zijn ter plaatse aanwezig om de bewoners te helpen, voor te lichten en oplossingen te bieden. Een vredesbewaarder is op straat aanwezig om slecht gedrag te ontmoedigen. Zijn optreden bevordert de openbare veiligheid, maar de straathoekwerker vermindert het risico op problemen door de wederzijdse mededeling in de gemeente te bevorderen.

Het nadeel is dat dat de kosten voor de gemeente verhoogt. Het vereist opleiding, organisatie … en er is nog steeds een risico op overlapping tussen het werk dat beide ambtenaren leveren. De gemeente moet de optie ‘straathoekwerker’ afwegen tegen een gestructureerde samenwerking met burgerinitiatieven. De gemeente kan bijvoorbeeld periodiek oproepen tot het indienen van projecten om de beste vervolgens te selecteren en te subsidiëren. Maatschappelijke organisaties hebben het vermogen om vrijwilligers te mobiliseren. Daardoor kunnen ze meer resultaat boeken met minder kosten voor de gemeente.

 

Fietsendiefstal

Vooral in Vlaanderen, waar tien keer zoveel fietsen worden gestolen als in Wallonië, komt fietsendiefstal het vaakst voor. Het is moeilijk om een precies cijfer te geven over het aantal diefstallen, aangezien naar schatting maar 28 % van de slachtoffers de diefstal meldt. Er zijn echter wel meer dan 30.000 klachten per jaar. Er zijn al verschillende maatregelen genomen om dat probleem aan te pakken. Een eerste voorbeeld in de Franse gemeenschap is Bicycode, waarbij de fiets van een specifieke markering wordt voorzien. Zo wordt het gemakkelijker om de fiets terug te vinden wanneer hij wordt gestolen en kan de eigenaar bewijzen dat het zijn fiets is.[6]

Op gemeentelijk niveau lijkt er weinig gedaan te zijn. In Brussel is een depot voor gestolen fietsen opgericht. Elke gevonden fiets kan gedurende drie maanden teruggevraagd worden. Na die periode wordt hij eigendom van de gemeente.[7] Lokfietsen voorzien van gps werden in de hoofdstad geplaatst om dieven in de val te lokken. Volgens een studie van de Universiteit van Tilburg, waarbij een dergelijk systeem in andere gemeenten werd geplaatst, is het aantal gemelde fietsendiefstallen met meer dan 40 % gedaald.

 

Radicalisering

Gemeenten staan als autoriteit het dichtst bij de contactpunten voor radicalisering en zijn daarom het best geplaatst om de achterliggende oorzaak van het probleem aan te pakken. Zij kunnen bijvoorbeeld onderzoek van de reële verblijfplaats laten uitvoeren om na te gaan of een persoon nog steeds in zijn officiële woonplaats verblijft. Zo niet, dan kunnen zij de ambtshalve verwijdering van burgers uit bevolkingsregisters gelasten, waardoor hun politieke en sociale rechten worden beperkt.

Een gemeente die vooruitloopt om het fenomeen onder controle te krijgen, is Moeskroen. In de afgelopen jaren hebben de lokale overheden een plan (Fréro’s genaamd, voor formation, réseau, échange, radicalisme, orientation en solidarité of opleiding, netwerk, uitwisseling, radicalisme, oriëntatie en solidariteit) opgesteld om radicalisering  te bestreiden. Het bestaat uit drie actiepunten. Het eerste punt bestaat erin het debat aan te wakkeren tussen professionals en jongeren, met name door scholen uit te nodigen om het toneelstuk Jihad te bekijken, gevolgd door een conferentiedebat. Het tweede punt betreft de opleiding van gemeentepersoneel en het derde punt betreft de samenwerking tussen naburige steden.

Bovendien riepen verscheidene gemeenten begin dit jaar op tot meer uitwisseling van informatie vanuit hogere bestuursniveaus. Zo moest Ivan Mayeur, toenmalige burgemeester van Brussel, op 31 december 2015 het vuurwerk annuleren zonder enige uitleg van de federale overheid, wat tot onnodige spanningen tussen de overheidsniveaus kan leiden.

 

Jonathan Jacquemart, 16 december 2017

 

[1] Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties van 24 juni 2013, hoofdstuk 2.

[2] MR, « Elections locales 2018: programme général », p. 26.

[3] Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties van 24 juni 2013, titel III.

[4] Wet betreffende de gemeentelijke administratieve sancties van 24 juni 2013, art. 10.

[5] CONSEIL DE LA JEUNESSE, Couvre-feu à Andenne, les jeunes encore victimes ! [online], http://www.conseildelajeunesse.be/couvre-feu-a-andenne-les-jeunes-encore-victimes/ (geraadpleegd op 26-10-2017).

[6] BICYCODE, La FUB [online], https://www.bicycode.org/infos.rub-1/la-fub.rub-4/ (geraadpleegd op 16-12-17).

[7] Gevonden fietsen, http://www.gevondenfietsen.be/brussel/gevonden-fietsen-4  (geraadpleegd op 1/3/2018).

La valeur économique d’une vie

Geplaatst op 25/10/2017 in Doelmatig overheidsbeheer, Non classé.

La vie est sacrée ; on ne peut en chiffrer la valeur. Si c’est vrai dans l’absolu, dans le monde économique on est obligé de composer. Nous interrogeons[1], à ce sujet, le Professeur Jacques Drèze, émérite de l’UCL, où il était chercheur au CORE. Il avance le chiffre de deux à quatre millions d’euros, et nous montre que l’exercice n’est pas simplement théorique. C’est même un « must » pour une gouvernance cohérente.

 

D’où vient l’idée de calculer la valeur de la vie humaine dans les décisions économiques ?

En 2002, un constructeur automobile américain constate un grave vice de fabrication sur un de ses modèles : le réservoir d’essence, mal placé et mal protégé, se rompt en cas de choc, causant explosion ou incendie susceptibles d’entraîner la mort des passagers. Le constructeur évalue les risques pour les véhicules en service à 180 décès probables. Il décide cependant de ne rien faire, en se basant sur une estimation de la valeur économique d’une vie humaine de 200.000 dollars. Le coût de modification des réservoirs sur les véhicules en service dépasserait la “valeur” des 180 vies sauvées!

 

Abominable cynisme me direz-vous. Et pourtant… Si l’on voulait protéger toutes les vies en danger, dans tous les domaines (route, incendie, catastrophes naturelles, terrorisme et autres violences, …), et “à tout prix”, nos dépenses de sécurité gonfleraient sans limite, au détriment de notre qualité de vie. Un juste équilibre doit être recherché, dans ce domaine comme en tant d’autres. Pour le trouver, il faut “penser correctement”, ensuite calculer correctement. Dans le cas du fabriquant précité, je pense qu’un calcul basé sur une valeur de 200.000 dollars n’est pas correct.

 

Le « plafonnement » de la valeur économique d’une vie ne heurte pas votre sens éthique ?

Je serais plutôt d’avis que c’est un devoir moral, car ce « plafonnement » permet globalement de sauver plus de vies.

 

Comment justifier cette nécessité de fixer un « prix » pour la vie ?

Le prix reflète la “disponibilité à payer” des acheteurs. Heureusement, les valeurs les plus fondamentales échappent au marchandage : l’amour, l’affection, la fraternité, la solidarité… Et cependant, notre disponibilité à payer intervient dans l’expression concrète de la solidarité. Qu’il s’agisse d’allocations sociales, d’aide au tiers-monde ou d’accueil de réfugiés politiques, les moyens budgétaires issus de nos taxes et impôts limitent les dépenses. Les niveaux de ces taxes et impôts traduisent une perception politique de la disponibilité des citoyens-électeurs à payer pour la solidarité.

 

“La valeur d’une vie humaine est strictement incommensurable à toute autre valeur et il est dénué de sens d’en tenter une estimation”. Ainsi s’exprimaient il y a quarante ans deux ingénieurs parisiens des Ponts et Chaussées[2], dans l’introduction d’un article consacré… à l’estimation du prix d’une vie humaine à prendre en compte dans les décisions de sécurité routière! Posons leur problème en termes concrets.

 

Placer des feux de signalisation à l’intersection de deux routes (par exemple la N4 et la N25) améliore la sécurité, moyennant une dépense de quelques 100.000 euro. Cela réduit, mais n’élimine pas, le risque d’accidents mortels. Aménager un rond-point giratoire supprime pratiquement les accidents mortels, mais se révèle trois à quatre fois plus coûteux : 0,4-million d’euros. On ne joue pas avec 400.000 € : cela permettrait de construire six logements sociaux, d’octroyer 70 bourses d’études ou allocations sociales, c’est-à-dire d’améliorer la qualité de vie de dizaines de personnes pendant plusieurs années. On ne joue pas non plus avec la vie humaine, dont la valeur est inestimable… mais on n’échappe pas à la nécessité de lui donner un prix pour décider où et quand la dépense liée à un rond-point giratoire se justifie !

 

N’y a-t-il pas une opposition entre la gouvernance de la société et la sensibilité des individus ?

L’approche, aujourd’hui admise par la plupart des économistes[3], applique à l’infrastructure routière les principes mêmes qui guident les décisions privées des usagers. Car nous sommes tous contraints à effectuer dans la vie courante des choix entre sécurité et gains de temps ou d’argent. Celui qui se rend de Louvain-la-Neuve à Namur par la route sait qu’il serait plus en sécurité dans le train ; mais les gains de temps et de confort l’emportent. Le même automobiliste sait que telle voiture plus coûteuse serait plus sûre ; mais il limite ses dépenses, soit par nécessité, soit pour ne pas renoncer à d’autres achats qui contribuent à la qualité de sa vie (un disque ou un bon vin, un stage de formation pour un enfant…). La conclusion s’impose : nous ne recherchons pas la “sécurité à tout prix” ; nous acceptons des compromis entre préservation de la vie et qualité de la vie ; ces deux objectifs sont bel et bien commensurables ; les compromis concrétisent notre disponibilité à payer pour la sécurité.

 

Mais il n’y tout de même aucun individu qui parle d’une valeur de sa vie ?

Celui qui serait prêt à payer 25 euro pour éviter un risque d’accident fatal (unique et non répétitif) de probabilité un cent-millième est réputé agir comme si la “valeur de sa vie” était de deux millions et demi d’euros. Cette prétendue mesure de la “valeur de la vie” ne doit pas être prise à la lettre. La donnée significative est le “prix” (25 €) attaché à la réduction de probabilité de décès de un cent-millième. La traduction en “valeur de la vie” s’est introduite pour rendre comparables des données issues de contextes ou d’études différents, mettant en cause des niveaux de probabilité différents.

 

Comment calcule-t-on cette fameuse valeur de la vie ?

Par des enquêtes, on analyse la disponibilité des gens à payer pour réduire le risque d’un accident mortel. On peut aussi observer les majorations de salaire liées à l’exercice de métiers à risque. Ces études ont été plus nombreuses aux États-Unis et en Angleterre. Les estimations qui en résultent sont naturellement variables, mais centrées sur des valeurs de deux à quatre millions d’euros. [4]

 

Après l’attaque terroriste du 11 Septembre 2001, les autorités américaines ont distribué des indemnités de 1.5 à 2 millions d’euros. Ces chiffres reflètent une valeur « ex post ». On voit que la valeur « ex ante » d’une vie d’adulte dépasse la notion d’indemnité, destinée à compenser les survivants. Le preneur de risque attribue (subjectivement) à sa propre vie une valeur supérieure.

 

Ces chiffres révèlent que l’on peut aménager une dizaine de ronds-points giratoires si cela donne l’espoir d’éviter un seul accident mortel. Une telle conclusion était loin de s’imposer a priori. Elle devrait rassurer ceux qui craignent que le calcul économique néglige les valeurs humaines. Elle illustre l’intérêt d’études économiques combinant une approche théorique correcte et des recherches empiriques systématiques.

 

Un intérêt majeur de ces études et de leur conclusion synthétique est de permettre la rationalisation des dépenses de sécurité dans différents domaines : transports (routiers ou aériens), incendie, médecine, criminalité… Rationaliser veut dire rendre maximal le nombre de vies que l’on sauve avec des moyens donnés. Le problème se pose également au niveau communal (voirie-incendie-police), et au niveau de la complémentarité entre niveaux de pouvoir (communal, régional, fédéral).

 

Nous avons donc la recette pour mener des politiques cohérentes entre les différentes mesures de sécurité ?

Oui – mais tout est loin d’être dit. En sécurité routière, on sauve des vies “statistiques”, celles de victimes dont l’identité est inconnue a priori ; on connaît seulement quelques caractéristiques générales de la population à laquelle elles appartiennent. Or la disponibilité à payer pour la sécurité varie d’une personne à l’autre : en raison de la psychologie mais aussi des ressources d’une personne soucieuse de sa propre sécurité, d’une part ; en raison du souci des collectivités de protéger différentes personnes, d’autre part. Abordons brièvement les deux aspects.

 

Il est naturel que la propension à payer pour la sécurité augmente avec le revenu: le sacrifice de qualité de vie requis pour consentir une même dépense de sécurité est moindre à haut revenu qu’à bas revenu ; les études empiriques le confirment clairement. En conséquence, les communes à population aisée dépensent davantage pour la sécurité que les communes à population moins favorisée ; de même, les compagnies aériennes traditionnelles attachent implicitement une valeur plus élevée à la vie de leurs passagers que les compagnies d’autobus.

 

Concernant le second aspect, il ressort des enquêtes que beaucoup de personnes seraient disposées à contribuer davantage pour sauver certaines vies plutôt que d’autres. Par exemple, sauver un jeune de 20 ans équivaudrait à sauver sept aînés de 60 ans[5]… De tels dilemmes se posent surtout dans le domaine de la santé, soit par exemple que l’on doive établir des priorités entre demandeurs d’organes, soit que l’on s’interroge sur l’accessibilité des personnes les plus âgées à des traitements très coûteux.

 

Le raisonnement qui conduit à rejeter le principe de “sécurité à tout prix” écarte de même l’option de “santé à tout prix” et justifie que la sécurité sociale se montre sélective dans la définition des soins qu’elle offre. L’analyse économique est invitée à jouer le même rôle dans ce domaine que dans celui de la sécurité.

 

Le plafonnement économique de la valeur de la vie humaine n’exprime-t-il pas un manque de respect pour la vie humaine ?

Nous sommes prêts à dépenser des sommes considérables (plusieurs millions d’euros) pour sauver une vie humaine. Dans le même temps, certains souhaitent voir la croissance démographique freinée. N’est-ce pas contradictoire? Ici encore, le bon sens et l’analyse économique convergent : les deux problèmes sont entièrement distincts.

 

La disponibilité d’une personne à payer pour la sécurité est quasiment indépendante de son désir d’avoir ou non des enfants[6].

 

Le respect de la vie est une valeur éthique importante. Elle n’est pas en cause ici. On peut refuser résolument de participer si peu que ce soit à causer la mort, tout en ayant une disposition à payer pour la sécurité limitée par le souci de préserver la qualité de la vie.

 

Bruxelles, 24 octobre 2017.

 

[1] Le Prof. J. Drèze emprunte largement des formulations de son article pour la revue Regards économiques, de l’IRES-UCL, de juin 2003.

[2] C. Abraham et J. Thédié, “Le prix d’une vie humaine dans les décisions économiques”, Revue française de recherche opérationelle, 1960, p.157-168.

[3] J.H. Drèze, “L’utilité sociale d’une vie humaine”, Revue française de recherche opérationnelle, 1962, p. 3-28.

[4] Cf. W. Kip Viscusi, “The Value of Risks to Life and Health”, Journal of Economic Literature, 1993, p. 1912-1946.

[5] Cf. M.L. Cropper, S.K. Aydede et P.R. Portney, “Preferences for Life Saving Programs: How the public Discounts Time and Age”, Journal of Risk and Uncertainty, 1994, p. 243-265.

[6] Cf. J.H. Drèze, “From the Value of Life to the Economics and Ethics of Population: the Path is Purely Methodological”, Recherches économiques de Louvain, 1992, p. 147-166.

Contrôle citoyen sur l’action publique

Geplaatst op in Een betere werking van de democratie, Non classé.

Le citoyen n’est pas impuissant face aux abus de pouvoir politique dont il est témoin. Si la loi l’oblige même à dénoncer certains délits, cela ne garantit pas toujours un contrôle effectif. Dans certaines situations, les méthodes informelles sont plus efficaces, comme nous l’avons expérimenté avec l’affaire Publifin.

 

Nécessité

Nous observons deux attitudes des citoyens face aux scandales à répétition, tel que Optima (Gand), « Kazahgate » (Uccle), Publifin (Liège), PubliPart[1] (Gent), Samusocial (Bruxelles), etc. Les uns concluent que « tous les politiciens sont corrompus » et claquent la porte en se désintéressant (encore plus) de la politique.  D’autres, moins nombreux, se regroupent pour mieux défendre l’intérêt public. Ceux qui ont pris la peine de lire ces lignes, ne font probablement pas partie du premier groupe.  Par les considérations qui suivent, nous espérons en faire des citoyens plus actifs.  En effet, il n’y aura jamais une saine démocratie, si le citoyen se désintéresse de l’action publique.

 

Contrôles officiels

Les dépenses publiques sont légalement encadrées. Elles doivent d’abord entrer dans un budget, approuvé par les instances démocratiques : parlement, conseil communal, etc. Souvent, le pouvoir public est tenu d’organiser un appel à concurrence. L’approbation d’une dépense concrète, la commande, le paiement se font selon des procédures réglementées, qui permettent à l’organe exécutif d’en endosser la responsabilité.

 

L’Inspection des Finances doit donner son aval ‘ex ante’ pour chaque dépense. Les inspecteurs des finances ont une mission qui s’apparente à un audit. Ils jouissent en effet d’un pouvoir assez large dans le contrôle des recettes et dépenses publiques, et sont en particulier incités à suggérer les moyens d’améliorer la situation financière des administrations concernées (gouvernement fédéral, et entités fédérées)[2].

 

La Cour des comptes est chargée principalement de juger la régularité des comptes publics, contrôler l’usage des fonds publics par les ordonnateurs, les entreprises publiques, ou même les organismes privés bénéficiant d’une aide de l’État, et enfin d’informer le Parlement, le Gouvernement et l’opinion publique sur la conformité des comptes. Ses contrôles concernent les dépenses et les recettes des gouvernements fédéral, communautaires et régionaux, ainsi que des députations permanentes des provinces.[3]

 

Le contrôle officiel ne peut pas tout résoudre, entre autres parce que la séparation entre le contrôleur et le contrôlé n’est pas toujours suffisamment garantie.

 

Les citoyens paient donc des sommes considérables pour entretenir tous ces mécanismes de contrôle. Il faut reconnaître que cela donne globalement des résultats positifs. Mais il subsiste de trop nombreuses dérives, qui le résultat de négligences des contrôleurs, ou de stratégies complexes pour échapper aux contrôles.

 

Impunité

Parmi d’autres, nous pointons deux circonstances qui favorisent l’impunité et donc les abus. La première est la dilution des responsabilités. Les décisions font intervenir de multiples organes collégiaux, ce qui permet à chacun de s’abriter : personne n’est plus responsable de rien. La « sanction du citoyen » est inexistante (ou inopérante) à l’égard des acteurs politiques individuels. Aussi longtemps qu’il est couvert par son parti, l’acteur politique peut se permettre des négligences graves, des abus ou de l’incompétence dans l’exercice de son mandat politique.

 

Un autre facteur d’impunité est la marge discrétionnaire de tout décideur. Les dirigeants ne sont pas des robots, mais des personnes amenées à faire continuellement des arbitrages entre les intérêts des uns et des autres. Il est donc possible de commettre des abus (et cela peut concerner des budgets de milliards) en respectant les formes légales, et en étant donc à l’abri de toute poursuite judiciaire.

 

L’ancien Commissaire de la Police fédérale, dirigeant le Service centrale de Lutte contre la Corruption, M. Paul Meulemans, estime que la corruption des fonctionnaires engendre globalement un surcoût de 20% sur les commandes des pouvoirs publics. Dans ce scénario, les contribuables perdent 4 milliards d’euros par an[4] , soit donc 1.090 euros par ménage moyen.

 

Nous abordons maintenant les mécanismes de contrôle à disposition du citoyen.

 

Transparence ordinaire, via la presse

La nature humaine incite les personnes à privilégier leur intérêt personnel, avant l’intérêt collectif. L’éducation peut corriger cette tendance naturelle, en insufflant diverses formes d’idéalisme, appuyées sur des motifs altruistes et/ou religieux. Les acteurs politiques ont un devoir de privilégier l’intérêt général, puisque l’électeur les a élus pour cela, et qu’ils sont rémunérés pour servir l’intérêt général.

 

La transparence offre un (petit) remède lorsque l’idéalisme et le sens du devoir font défaut. La transparence réduit la distance entre l’intérêt personnel et collectif. En effet, si le mandataire nuit à l’intérêt général, cela se saura et cela pourrait nuire à sa carrière politique. Donc, le mandataire évitera les abus, par calcul.

 

On constate que suite à des campagnes médiatiques, certains politiciens sont acculés à démissionner. Nous nous réjouissons que la presse joue ici un rôle régulateur. Mais le mécanisme est très faible. Il ne peut pas être actionné tous les jours. Il ne vaut que pour des dossiers avec de grands enjeux. Si vous avez été injustement traité dans le cadre d’une procédure de recrutement ou de nomination, ne comptez pas sur la presse pour dénoncer l’abus.

 

De plus, la sanction est parfois très légère. L’affaire Donfut est typique. En mai 2009, Didier Donfut démissionne de son poste de ministre et se retire de la liste électorale socialiste. Il est en effet suspecté d’avoir perçu, par le biais d’une société dont il est l’unique propriétaire, des rémunérations annuelles d’un montant de 160 000 € de la part de l’intercommunale IGH (Intercommunale de gaz du Hainaut). Il pourrait ainsi s’agir d’un conflit d’intérêts par rapport à ses fonctions ministérielles. Quelques mois plus tard, le 27 octobre 2009, il est cependant élu président de cette même organisme, grâce au soutien des membres socialistes du conseil d’administration, majoritaires.

 

Le médiateur

Vous pouvez, gratuitement, vous adresser à l’ombudsman. Le médiateur fédéral ou régional cherche une solution à votre problème avec l’administration. Si votre réclamation est fondée, il essaye de convaincre l’administration de corriger la situation et d’éviter que le problème ne se reproduise. Grâce à votre réclamation, vous contribuez à rendre l’administration plus efficace.

 

En 2016, le Médiateur fédéral a reçu 4276 nouvelles réclamations et 1732 demandes d’information.[5] Nous craignons que de nombreux citoyens renoncent à introduire une réclamation par crainte de représailles. Logiquement, le monde fonctionne mieux quand les gens défendent leur droit avec courage.

 

La justice

Les fonctionnaires doivent[6] dénoncer, au procureur du Roi, les délits et les crimes dont ils ont connaissance dans l’exercice de leurs fonctions. Une obligation similaire pèse sur les particuliers qui sont témoins d’un attentat soit contre la sûreté publique, soit contre la vie ou la propriété d’un individu.[7]

 

La Belgique s’est outillée pour récolter des dénonciations de fraudes sociales.[8] Mais elle est bien moins active pour dépister la corruption dans les services publics.

 

Comme nous l’avons dit plus haut, de nombreux abus sont commis à l’abri de poursuite judiciaires. Soit parce que le pouvoir discrétionnaire dont jouit tout décideur a été utilisé à mauvais escient, soit parce que la justice n’a pas accès à des preuves suffisantes. De plus, de nombreuses dénonciations sont classées sans suites, par manque de ressources.

 

La piste d’une plainte, introduite par la victime, présente deux obstacles pratiques : la durée et le coût. Si quelqu’un est abusivement écarté d’un marché public, et qu’il tombe en faillite par manque de commandes. Supposons qu’il obtienne gain de cause au tribunal six ans plus tard, où est la justice ? En ce qui concerne le coût, on se consolera avec la « répétibilité » des frais et honoraires d’avocat, obligeant le perdant à rembourser au gagnant du procès un montant destiné à couvrir en grande partie ce que le gagnant a dû payer à son propre avocat.

 

Le lanceur d’alerte

La dénonciation se fait de bonne foi et animé de bonnes intentions : elle vise un état de fait, une menace dommageable pour le bien commun, l’intérêt public ou général. La délation, en revanche, est inspirée par la cupidité, la haine ou le mépris.

 

Le lanceur d’alerte est souvent associé à une démarche qui va plus loin que la dénonciation devant le médiateur ou le procureur du roi. Éventuellement après avoir tenté en vain d’obtenir une réaction par la voie des instances officielles, il révèle le problème à une association ou un média, parfois contre l’avis de sa hiérarchie. Souvent le lanceur d’alerte contrevient à un devoir de confidentialité. Il estime nécessaire de commettre cette infraction, pour remédier à un abus beaucoup plus grave.

 

L’accès à l’information

Le citoyen n’est pas toujours conscient des droits qu’il a pour consulter les dossiers administratifs. Le revers de la médaille, ce sont les administrations qui refusent d’accorder l’accès légitimement réclamé par des citoyens. Pour éviter que le citoyen ne soit systématiquement victime d’un rapport de force défavorable, Anticor Belgique a développé le projet Transparencia.be. Le citoyen adresse sa question à l’administration publique via la plateforme internet de Transparencia. Tout le monde peut voir quelles instances refusent de répondre.

On pourrait considérer Transparencia comme une démocratisation du concept de question parlementaire. Mais la transparence administrative ne vaut que pour le passé : des actes administratifs. Pour questionner le monde politique sur les intentions futures, le Répertoire politique offre une solution.

 

Répertoire politique

Nous avons vu que la presse induit une forme de contrôle social. Toutefois, la presse agit souvent dans une ambiance chargée d’émotions, ou dans la précipitation. Le Répertoire politique de NousCitoyens[9] est un canal d’information complémentaire. L’information structurée des profils personnels, peut être complétée par des liens vers des articles qui décrivent le comportement de l’acteur politique dans des dossiers précis. Les (groupes de) citoyens peuvent initier des « sondages du monde politique » c’est-à-dire poser des questions (fermées) aux acteurs politiques concernés.

 

Droit d’interpellation

Le citoyen peut non seulement assister aux réunions du conseil communal, mais il peut en outre y poser une question.

 

Conclusion

La nature humaine étant ce qu’elle est, le contrôle des mandataires politiques sera toujours nécessaire. On pourra toujours améliorer l’arsenal de contrôle, mais ce qui manque peut-être le plus, ce sont le sens des responsabilités et le courage des contrôleurs. Et le contrôleur c’est d’abord vous, cher ami lecteur. Transparencia et NousCitoyens sont deux exemples de citoyens qui s’organisent pour défendre l’intérêt général. Leur « force de frappe » dépend du soutien (notamment financier) reçu de la population.

 

Jean-Paul Pinon, 6/10/2017

 

 

[1] http://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20170212_02726024 : Dit moet u weten over het Vlaamse ‘PubliPart-schandaal’, Nieuwsblad, 13/2/2017

[2] Didier Batselé, Tony Mortier, Martine Scarcez, Manuel de droit administratif, no 965

[3] https://fr.wikipedia.org/wiki/Cour_des_comptes_(Belgique)

[4] De Morgen, 5 février 2016, Corrupte ambtenaren kosten elk jaar 4 miljard euro

[5] Rapport 2016 du Médiateur fédéral, p.144.

[6] Code d’instruction criminelle, art. 29 et 30.

[7] Christine Guillain, 6 janvier 2012, La portée et les limites de la dénonciation en matière pénale (dans : Justice en ligne)

[8] Le Point de contact central pour une concurrence loyale est une émanation du Service d’information et de recherche sociale (SIRS) : https://www.meldpuntsocialefraude.belgie.be/fr/.

[9] http://www.wecitizens.be/nl/politieke-databank/

Burgercontrole op het overheidsoptreden

Geplaatst op in Een betere werking van de democratie, Non classé.

Noodzakelijkheid

We zien burgers twee houdingen aannemen tegenover herhaalde schandalen zoals Optima (Gent), Kazahgate (Ukkel), Publifin (Luik), PubliPart[1] (Gent), Samusocial (Brussel) enz. Sommigen hebben daaruit de conclusie getrokken dat ‘alle politici corrupt zijn’, hebben de deur dichtgeslagen en zijn daarop hun interesse voor de politiek nog meer verloren. Een kleiner aandeel verenigt zich om het algemeen belang beter te verdedigen. Degenen die de moeite hebben genomen om deze eerste regels te lezen, maken waarschijnlijk geen deel uit van de eerste groep. Met de volgende overwegingen hopen we van hen actievere burgers te maken. Sterker nog, er zal nooit sprake zijn van een gezonde democratie als de burger geen belang stelt in het overheidsoptreden.

 

Officiële controles

Overheidsuitgaven zijn wettelijk geregeld. Zij moeten eerst in een begroting worden opgenomen die de democratische instellingen goedkeuren: parlement, gemeenteraad enz. Vaak moet de overheid een aanbesteding uitschrijven. De goedkeuring van een concrete uitgave, het betalingsbevel en de betaling verlopen volgens gereguleerde procedures, waardoor het uitvoerend orgaan de verantwoordelijkheid op zich kan nemen.

 

Voor iedere uitgave moet de Inspectie van Financiën vooraf toestemming geven. De opdracht van de inspecteurs van financiën is vergelijkbaar met een audit. Zij hebben een tamelijk ruime bevoegdheid inzake de controle van overheidsinkomsten en –uitgaven en worden in het bijzonder aangemoedigd om voorstellen te doen om de financiële toestand van de betrokken administraties (federale regering en gefedereerde entiteiten) te verbeteren[2].

 

Het Rekenhof heeft in de eerste plaats de verantwoordelijkheid om de regelmatigheid van de overheidsrekeningen te beoordelen. Vervolgens ziet het toe op de inzet van de openbare middelen die worden gebruikt door ordonnateurs, overheidsbedrijven en private organisaties die staatssteun ontvangen. Tot slot infromeert het het parlement, de regering en de bevolking over de conformiteit van de rekeningen. De controles van het Rekenhof betreffen de uitgaven en ontvangsten van de federale, gewestelijke en gemeenschapsregeringen alsook de permanente afvaardigingen van de provincies.[3]

 

Officiële controles bieden weliswaar geen algehele oplossingen, mede omdat de scheiding tussen de controleur en de gecontroleerde soms onvoldoende gewaarborgd is.

 

De burgers betalen dus aanzienlijke sommen geld om al die controlemechanismen in stand te houden. We moeten erkennen dat de algemene resultaten daarvan positief zijn. Er zijn evenwel nog altijd te veel afwijkingen die het gevolg zijn van nalatigheid van controleurs of van complexe strategieën om aan de controles te ontsnappen.

 

Straffeloosheid

We wijzen onder andere op twee omstandigheden die straffeloosheid en dus misbruik bevorderen. Ten eerste is er de verwatering van de verantwoordelijkheden. Bij beslissingen zijn meerdere collegiale organen betrokken zodat iedereen zich achter een instelling kan verschuilen; niemand is dus nog voor niets verantwoordelijk. Ten opzichte van individuele politici is de ‘burgerstraf’ onbestaande (of ineffectief). Zolang de partij de politicus dekt, kan hij zich bij de uitoefening van zijn politieke mandaat ernstige nalatigheid, misbruik of onbekwaamheid veroorloven.

 

Een andere factor van straffeloosheid is de discretionaire bevoegdheid van de besluitvormer. Bestuurders zijn geen robots, maar mensen die voortdurend afwegingen maken tussen elkaars belangen. Het is dus mogelijk om binnen de wettelijke vormen misbruik te plegen (en dat kan om een budget van miljarden euro gaan) en tegen iedere gerechtelijke vervolging beschermd te zijn.

 

Paul Meulemans, voormalig commissaris bij de Federale Politie en hoofd van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie is van mening dat corruptie bij ambtenaren een meerkost van ongeveer 20 % op overheidsopdrachten genereert. In dat geval verliezen de belastingbetalers ongeveer 4 miljard euro per jaar[4], ofwel 1.090 euro per gemiddeld gezin.

 

Hieronder bespreken we de controlemechanismen waarover de burgers beschikken.

 

Alledaagse transparantie via de pers

De menselijke natuur zet mensen ertoe aan het eigenbelang boven het collectieve belang te stellen. Door opvoeding kunnen we die neiging corrigeren door verschillende vormen van altruïstisch of religieus geïnspireerde idealismen door te geven. Politici hebben de plicht om voorrang te geven aan het algemeen belang aangezien de kiezer hen heeft gekozen om dat te doen en aangezien ze worden vergoed om het algemeen belang te dienen.

 

Transparantie fungeert als middel wanneer idealisme en plichtsbesef ontbreken. Transparantie verkleint de afstand tussen het persoonlijke en collectieve belang. Als de mandataris het algemeen belang schaadt, dan is dat immers geweten en kan dat zijn politieke carrière benadelen. Voorzichtig­heidshalve voorkomt de mandataris dan ook misbruik.

 

We stellen vast dat sommige politici zich als gevolg van mediacampagnes gedwongen voelen om ontslag te nemen. Het doet ons plezier dat de pers daarin een regulerende rol speelt, maar het mechanisme is erg zwak. Het kan niet dagelijks worden gebruikt en is alleen van toepassing op gewichtige dossiers. Als u in een wervings- of benoemingsprocedure onrechtvaardig bent behandelt, rekent u maar best niet op de pers om het misbruik aan de kaak te stellen.

 

Bovendien is de straf soms erg licht. De zaak-Donfut is typerend. In mei 2009 trad Didier Donfut af als minister en trok hij zich terug uit de socialistische kiezerslijst. Hij werd er immers van verdacht via een eenmansbedrijf een jaarlijkse vergoeding van 160.000 euro te ontvangen van de intercommunale IGH (Intercommunale de Gaz du Hainaut). Dat had een belangenconflict kunnen vormen met zijn ministeriële functies. Een paar maanden later, op 27 oktober 2009, werd hij evenwel verkozen tot voorzitter van diezelfde organisatie dankzij de steun van de socialistische leden van de raad van bestuur, die de meerderheid vormden.

 

Ombudsman

U kunt gratis terecht bij de ombudsman. De federale of gewestelijke ombudsman zoekt een oplossing voor uw probleem in samenspraak met de administratie. Als uw klacht gegrond is, probeert hij de administratie ervan te overtuigen om de situatie recht te zetten zodat het probleem zich niet meer voordoet. Zo draagt uw klacht bij tot een efficiëntere administratie.

 

In 2016 heeft de federale ombudsman 4276 nieuwe klachten en 1732 informatieaanvragen ontvangen.[5] We vrezen dat veel burgers geen klacht indienen uit angst voor vergelding. Natuurlijk werkt het systeem beter als mensen moedig voor hun rechten opkomen.

 

Rechtvaardigheid

Ambtenaren moeten[6] bij de procureur des Konings de wanbedrijven en misdaden aangeven waarvan zij kennis hebben bij de uitoefening van hun ambt. Een soortgelijke verplichting geldt voor personen die getuige zijn van een aanslag op de openbare veiligheid of op het leven of eigendom van een individu.[7]

 

België heeft zich wel uitgerust om meldingen van sociale fraude te ontvangen[8], maar is luier als het op het opsporen van corruptie in overheidsdiensten aankomt.

 

Zoals hierboven vermeld, worden veel gevallen van misbruik niet vervolgd. Ofwel is dat omdat de discretionaire bevoegdheid waarover iedere besluitvormer beschikt, wordt misbruikt ofwel omdat het gerecht geen toegang heeft tot voldoende bewijsmateriaal. Bovendien worden veel aanklachten wegens gebrek aan middelen zonder gevolg geklasseerd.

 

Voor het indienen van een klacht duiken er twee obstakels op: de looptijd en de kosten. Stel dat een bedrijf ten onrechte van een overheidsopdracht wordt uitgesloten en failliet gaat door een gebrek aan bestellingen. Zes jaar later stelt de rechter hem in het gelijk, waar is dan de rechtvaardigheid? Wat de kosten betreft, zal hij worden bemoedigd door de verhaalbaarheid van de kosten en de honoraria van de advocaat waarbij de verliezer van de rechtszaak de winnaar een bedrag moet terugbetalen dat grotendeels de kosten dekt die de winnaar zelf aan zijn advocaat heeft moeten betalen.

 

Klokkenluider

De aanklacht wordt te goeder trouw en met goede bedoelingen ingediend: ze beoogt een situatie, een bedreiging voor het algemeen welzijn, het openbaar of het algemeen belang. Verraad is daarentegen geïnspireerd door hebzucht, haat of minachting.

 

De klokkenluider wordt vaak in verband gebracht met een aanpak die verder gaat dan de klacht bij de bemiddelaar of de procureur des Konings. Uiteindelijk, nadat hij tevergeefs heeft geprobeerd om een reactie te krijgen via officiële instanties, richt hij zich met zijn probleem tot een vereniging of een mediakanaal, soms tegen het advies van zijn superieuren. Vaak overtreedt de klokkenluider een geheimhoudingsplicht. Hij acht het noodzakelijk dat misdrijf te plegen om aan een veel ernstiger misbruik een einde te maken.

 

Toegang tot informatie

Burgers zijn zich niet altijd van hun rechten bewust om administratieve dossiers te raadplegen. De keerzijde van de medaille is dat administraties weigeren toegang te verlenen terwijl de burger die wel wettig opeist. Om te voorkomen dat de burger stelselmatig het slachtoffer wordt van een ongunstig machtsevenwicht, heeft de Franse vereniging Transparencia haar activiteiten in België opgestart. De burger stelt zijn vraag aan de overheidsinstelling via het internetplatform van Transparencia. Iedereen kan zien welke instellingen weigeren te antwoorden.

We zouden Transparencia als een democratisering van de parlementaire vraag kunnen beschouwen. Niettemin geldt administratieve transparantie van bestuurshandelingen alleen voor het verleden. De Politieke Databank biedt een oplossing om de politici over hun toekomstige plannen te bevragen.

 

Politieke Databank

We hebben gezien dat de pers een vorm van sociale controle teweegbrengt. Evenwel schrijft de pers vaak in een te geladen context of gaat ze overhaast te werk. De Politieke Databank van WijBurgers is een extra informatiekanaal. De gestructureerde informatie van de persoonlijke profielen kan worden aangevuld met hyperlinks naar artikels waarin het gedrag van politici bij specifieke gebeurtenissen worden beschreven. Individuele burgers en burgerbewegingen kunnen het initiatief tot ‘peilingen van de politiek’ nemen, d.w.z. (gesloten) vragen stellen aan betrokken politici.

 

Interpellatierecht

De burger mag de vergaderingen van de gemeenteraad bijwonen en daarop ook een vraag stellen.

 

Besluit

De menselijke aard maakt dat de controle op politici altijd noodzakelijk zal zijn. Er is altijd ruimte tot verbetering van de controles. Waaraan het misschien wel het meeste ontbreekt, zijn het verantwoordelijkheidsgevoel en de moed van degenen die controleren. Beste lezer, de controleur bent u in eerste instantie. Transparencia en WijBurgers zijn twee voorbeelden van burgers die de krachten bundelen om het algemeen belang te behartigen. Hun slagkracht is afhankelijk van de steun van het volk, met inbegrip van financiële ondersteuning.

 

Jean-Paul Pinon, 20 oktober 2017

 

[1] http://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20170212_02726024: Dit moet u weten over het Vlaamse ‘PubliPart-schandaal’, Nieuwsblad, 13/2/2017

[2] Didier Batselé, Tony Mortier, Martine Scarcez, Manuel de droit administratif, no 965

[3] https://fr.wikipedia.org/wiki/Cour_des_comptes_(Belgique)

[4] De Morgen, 5 februari 2016, Corrupte ambtenaren kosten elk jaar 4 miljard euro

[5] Jaarverslag 2016 van de federale Ombudsman, p.144.

[6] Wetboek van Strafvordering, art. 29 en 30.

[7] Christine Guillain, 6 januari 2012, La portée et les limites de la dénonciation en matière pénale (in: Justice en ligne)

[8] Het Meldpunt voor Eerlijke Concurrentie gaat uit van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD): https://www.meldpuntsocialefraude.belgie.be.

Een nieuw lid: Democratie.Nu, de beweging voor directe democratie

Geplaatst op 31/05/2017 in Non classé, Referendum op volksinitiatief.

Politici zijn er om de belangen van de burger te behartigen. Er bestaan echter conflicten tussen de belangen van de burger, en de persoonlijke en collectieve belangen van de machtvoerders. Om deze conflictsituatie weg te werken, streeft Democratie.Nu voor de invoering van directe democratie. De meest voor de hand liggende vorm is de volksraadpleging. Maar Democratie.Nu wil een meer verregaande politieke omwenteling, inclusief een parlement met gelote burgers, en de rechtstreekse verkiezing van de uitvoerende macht. Wij mochten projectleider David Joëts interviewen.
 

Mijnheer Joëts, welke problemen wilt Democratie.Nu verhelpen?

Momenteel leven wij in een indirecte vertegenwoordigende ‘democratie’ met bitter weinig inspraakmogelijkheden voor de burgers. Wij leven niet – in tegenstelling van wat men doorgaans beweert – in een democratie, maar in een particratie.
 

Zestig jaar geleden was de burger veilig ingebed in de maatschappelijke zuilen. Hij dacht over de meeste zaken min of meer hetzelfde als zijn zuilgenoten. Op alle gebieden beschikte deze zuil over massaorganisaties die de individuele burger inbonden en het gezamenlijke groepsstandpunt uitdroegen, van vakbonden en kerken tot media en politieke partijen. De burger had vertrouwen in deze organisaties en voelde zich door hen vertegenwoordigd. Hij had weinig behoefte om zijn oordeel individueel te ontwikkelen.

 

Vanaf de jaren ’60 veranderde dit. Sindsdien zijn mensen zich in de eerste plaats als individu gaan ervaren en niet meer als groepswezen. Men heeft behoefte om zelf op individuele gronden standpunten over van alles en nog wat in te nemen, los van de ideologische, aan de voormalige zuilen gebonden sjablonen. Bovendien ervaren burgers het in toenemende mate als onvoldoende om hun stem af te geven aan volksvertegenwoordigers en zelf vier jaar lang niet mee te mogen praten. Men wil zelf meebeslissen.

 

Deze situatie vraagt om nieuwe politieke structuren, om een nieuwe invulling van het begrip democratie. In feite komt het erop aan om serieus werk te maken van de gelijkheid die het basisprincipe is voor het politieke en rechtsleven.

 

Wat is de visie van Democratie.Nu ?

Het oprichten van een nieuwe partij is voor Democratie.Nu géén oplossing, want ‘het systeem’ op zich is problematisch.

Zolang het volk niet zélf voor of tegen concrete wetten en wetsvoorstellen kan stemmen – zolang het volk niet over een wetgevende bevoegdheid beschikt en zolang er geen volkssoevereiniteit is – verandert er wezenlijk weinig. We vechten dan tegen de gevolgen en de symptomen; niet tegen de oorzaak.

Dit is ontnuchterend: mensen gaan met de beste bedoelingen de straat op en betogen tegen climate change, het gevoerde asielbeleid of tegen de aankoop van gevechtsvliegtuigen.

Hierdoor worden mensen evenwel afgeleid van het échte probleem en versplintert het maatschappelijke verzet. Alles begint met besef van gebrek aan democratie.

Ligt dé sleutel tot het oplossen van vrijwel alle maatschappelijke problemen nu nét niet in de invoering van de volkssoevereiniteit?

 

Misschien even dieper ingaan op het begrip volkssoevereiniteit ?

Democratie betekent letterlijk ‘volksheerschappij’. In een democratie wordt geen autoriteit boven de bevolking erkend; het volk is soeverein. De wetten hebben in een democratie autoriteit omdat degenen die de wetten moeten gehoorzamen, deze wetten op één of andere manier hebben goedgekeurd. Dit is door de Franse filosoof Rousseau verwoord als het ‘sociaal contract’: wetten zijn legitiem omdat het vrije afspraken zijn tussen gelijkwaardige en mondige burgers, die samen de rechtsgemeenschap vormen.

 

In een representatief stelsel als het onze is de volkssoevereiniteit echter niet gewaarborgd. Burgers kunnen niet anders dan eens in de vier jaar hun medebeslissingsrecht afdragen aan een klein groepje volksvertegenwoordigers, die vervolgens een monopolie op het beslissingsrecht hebben. Hierdoor kunnen structureel wetten tot stand komen die niet door de meerderheid gedragen worden. De bevolking kan weliswaar de verkozenen bij een volgende stembeurt niet herkiezen, maar ze kan met geen wettig middel voorkomen dat er besluiten worden genomen die de meerderheid van de burgers niet wil.

 

Om het representatieve stelsel toch democratisch te kunnen noemen, word er een beroep gedaan op de fictie van het ‘mandaat’. Burgers zouden in verkiezingen een mandaat geven aan het parlement. Dit is schijn, omdat het mandaat in feite afgedwongen is. Er wordt immers nooit aan burgers gevraagd òf zij wel willen mandateren, en zo ja onder welke voorwaarden.

 

Wat is uw strategie ?

Democratie.Nu wil de invoer van de volkssoevereiniteit realiseren via een ‘drievoudig pad’.

 

PISTE 1. Invoering van het Bindende Referendum Op Volksinitiatief (BROV)

Hiermee kan de bevolking rechtstreeks wetgevend werk verrichten, ook tégen de wil van de politici in. Met referenda kunnen burgers bovendien zélf dossiers en wetsvoorstellen op de politieke agenda plaatsen.
 

PISTE 2. Samenstelling van het parlement door gelote burgers

In Frankrijk vind je een website met als titel: “Het behoort niet tot de mensen aan de macht om de grenzen van hun eigen bevoegdheden te bepalen. Wij willen een democratische, dus gelote, grondwetgevende vergadering.”

 

Democratie.Nu ambieert een grondige politieke hervorming, waarbij het voorbereidende wetgevende werk door gelote burgers wordt verricht en niet langer door een parlement van beroepspolitici. Daarna kan een wetsvoorstel aan het volk worden voorgelegd middels een referendum.

 

PISTE 3. De rechtstreekse verkiezing van de uitvoerende macht (= burgermeester, ministers, regering)

Enkel en alleen wanneer de kiezers zélf over de samenstelling van de regering kunnen beslissen, wordt de particratie ontmanteld.

 

Dit zijn ambitieuze doelstellingen. Zijn ze realistisch?

Wij gaan progressief te werk. Voor de invoering van het BROV voorzien we tussenstappen.

Stap 1: het opwaarderen van het petitierecht. Democratie.Nu richtte voor de burger de website petitie.be op.

 

Stap 2: De volgende logische stap bestaat uit het vertrouwd maken van het grote publiek met een ander direct-democratisch instrument, namelijk de gewestelijke volksraadpleging. Democratie.Nu’s meest recente project richt zich op de Gewestelijke Volksraadpleging.

 

Democratie.Nu diende recentelijk zélf een burgervriendelijk uitvoeringsdecreet in bij het Vlaamse parlement. Omdat Democratie.Nu’s voorstel werd afgewezen, wil de burgerbeweging verder druk uitoefenen via een petitie. Teken de petitie Vlaamse Referenda, Nu!

 

Stap 3: Het Bindende Referendum Op Volksinitiatief (BROV) afdwingen. Dit is mogelijk, mits een eenvoudige aanpassing (Art. 33) van de grondwet.  Democratie.Nu streeft hiernaar binnen een termijn van vijf à tien jaar.

 

Welke acties voert u?

Democratie.Nu stelt concrete aanbevelingen voor bestuurlijke vernieuwing voor.

Democratie.Nu gaat geregeld in gesprek met politici. Onlangs nog formuleerde Democratie.Nu een omstandige kritiek op de conceptnota ‘Burgerparticipatie’ van Vlaams parlementslid uit de bestuursmeerderheid Willem-Frederik Schiltz (Open VLD).

 

Op 28 oktober 2016 lanceerde de Vlaamse overheid haar Groenboek Bestuur. Met dit Groenboek doet ze 30 voorstellen over hoe een vernieuwende overheid er in de toekomst zou kunnen uitzien en waar deze prioritair moet op inzetten. Hiervoor werden er ook een aantal commissies opgericht.

 

Hoewel de overheid elke burger, organisatie, vereniging en medewerker de kans wil bieden om actief mee na te denken over een vernieuwende Vlaamse overheid, bleek Democratie.Nu niet gewenst op één van de commissiehoorzittingen.

 

Richt u zich ook tot de gewone burger?

Democratie.Nu informeert en sensibiliseert het grote publiek via workshops, minicongressen en voordrachten. Onze vereniging is Nederladstalig, en dus hoofdzakelijk actief in Vlaanderen.

Het standaardwerk “Directe democratie” van Democratie.Nu is vertaald in negen andere talen.

Democratie.Nu houdt wekelijks (op dinsdagavond om 20.30h – 21.30h) een teleconferentie waar toekomstige (vervolg)acties worden besproken. Alle suggesties en vruchtbare pistes zijn hierbij welkom. Denkt u graag mee? Een pc en een stabiele internetverbinding volstaan om deel te nemen.

Waar komen uw middelen vandaan?

Democratie.Nu is een onafhankelijke en niet-gesubsidieerde vereniging met als ultieme taak het invoeren van de democratie in Vlaanderen en in België.

 

Democratie.Nu moet dringend professionaliseren en dat kan niet zonder helpende handjes of de nodige financiële injecties. Uw financiële steun is onontbeerlijk. Een gift voor Democratie.Nu is een cadeau voor uzelf, uw kinderen en uw medemens.

Brussel, 1 juli 2017.

Ontwikkelingssamenwerking: tijd om solidariteit te tonen

Geplaatst op 14/04/2017 in Doelmatig overheidsbeheer, Non classé.

In vijf jaar tijd heeft de federale regering het budget ontwikkelingssamenwerking, dat in % van het bni wordt uitgedrukt, met een derde verminderd. Daarnaast bevoorrecht ze de officiële hulp terwijl het algemeen bekend is dat een belangrijk deel van die hulp van de doelstelling wordt afgeleid. De heer Daniel Turiel, gedelegeerd bestuurder bij de ngo ACTEC, toont de uitmuntende resultaten van de beroepsopleiding en het microkrediet.
&nbsp

Mijnheer Turiel, wat betekent ontwikkeling voor u concreet?

Het begrip ontwikkeling omvat veel facetten van het leven van mensen en volkeren. Het concept ontwikkeling heeft immers zelf in de loop van de geschiedenis een hele evolutie gekend. Tijdens de Verlichting werd ontwikkeling als een vooruitgang gezien die lineair en onomkeerbaar bleek. De verschillende oorlogen en economische crisissen hebben de beperkingen van de begrippen vooruitgang en ontwikkeling betoond. De beperkingen worden des te duidelijker in een multiculturele context waarin het westerse model niet noodzakelijkerwijs wordt aanvaard.

Volgens onze opvatting komt ontwikkeling de persoon en de waardigheid van iedere persoon ten goede in zowel de noordelijke als de zuidelijke landen. Een land is ‘ontwikkelder’ wanneer het iedere burger de mogelijkheid biedt om zijn talenten te ontwikkelen; voor zijn zelfontplooiing en ten dienste van de samenleving. Mensen kunnen hun capaciteiten ontplooien in een ‘ontwikkelde’ omgeving: opvoedingssysteem, gezondheid, arbeidskansen, uitoefening van burgerlijke vrijheden, rechtszekerheid enz.

Opvoeding is een essentieel onderdeel dat net toelaat om ieders talenten te ontwikkelen en om maatschappelijke welvaart voor iedereen te garanderen vanuit een sociaal, economisch en cultureel standpunt. Als we de verschillende landen in de wereld bekijken, stellen we moeiteloos vast dat er een bijna perfecte correlatie bestaat tussen het opleidingsniveau en de ontwikkelingsgraad van het land. De gevolgtrekking is duidelijk: de grootste rijkdom van de naties ligt bij opleiding en de talenten van hun inwoners.

 

Wat is de missie van ACTEC?

Onze slogan luidt: “Een beroep voor iedereen”. ACTEC helpt armen in de zuidelijke landen om zich vanuit een beroep te ontwikkelen. ACTEC biedt bijstand die zich op de persoon richt, die met andere woorden de capaciteiten van iedere persoon beklemtoont zodat hij zich vrij een weg  door het leven kan banen. Daartoe zien we opvoeding en beroepsopleiding als twee pijlers van die vrijheid die de mensen de mogelijkheid bieden om zich als verantwoordelijke personen te ontplooien.

 

Hoe zet u uw doelstelling voort?

Onze activiteit bestaat erin opleidingscentra in het leven te roepen die de talenten van arme personen in de zuidelijke landen ontwikkelen opdat zijzelf het kopstuk van hun eigen ontwikkeling worden alsook de spilfiguur van de vooruitgang in hun land.

Als ngo voor ontwikkelingssamenwerking organiseert ACTEC acties in ontwikkelingslanden die ze met giften van particulieren en openbare subsidies financiert. Wij bouwen centra voor de technische vorming van jongeren en volwassenen, stellen ondersteuningsprogramma’s  voor micro-ondernemers op (microkredieten en aangepaste managementcursussen) en richten gespecialiseerde centra op zoals hotelvakscholen, verplegersscholen enz.

Om het voortbestaan van onze projecten te verzekeren, bestaat onze belangrijkste taak erin goede partners in het Zuiden te vinden. Ik leg er zelfs de klemtoon op dat we partners in het Zuiden zoeken die uitmuntend zijn. Kwalitatieve en duurzame projecten in de zuidelijke landen realiseren is immers vaak een zware taak door de inherente moeilijkheden van de situatie:  in gebreke blijvende staten, een gebrek aan lokale capaciteiten, het ontbreken van infrastructuurvoorzieningen, corruptie van de administratieve en beleidsverantwoordelijken, chronische instabiliteit vanuit politiek, maatschappelijk en economisch standpunt …

De personen die onze partnerinstellingen leiden, combineren drie kwaliteiten die niet vaak samen voorkomen: een enorm idealisme, weergaloze talenten en een grote beroepsbekwaamheid.

 

Hoe kiest u het doelpubliek van uw project?

We kiezen personen die aan die activiteiten deelnemen in nauwe samenwerking met onze lokale partners. Onze collega’s in het Zuiden zijn leiders in hun land, ze zijn echte sociale ondernemers. Doordat ze het terrein en de behoeften van de bevolking perfect kennen, identificeren ze de te ondernemen prioritaire acties opdat er een beroepsopleiding wordt aangeboden die aan de lokale context is aangepast. Dankzij ons partnerschap op basis van idealisme, doeltreffendheid en professionalisme hebben onze projecten sinds 30 jaar meer dan 1.100.000 personen rechtstreeks geholpen.

Hun expertise geeft ons de kans om de economische mogelijkheden van de regio en de vraag naar arbeidskrachten van potentiële werkgevers goed te onderzoeken en de reële kansen op een vormingsperiode voor de begunstigden te analyseren. We bevoorrechten acties voor drie specifieke groepen:

  • Jongeren: Ontwikkelingslanden hebben een zeer jonge bevolking die onvoldoende toegang tot een technische opleiding heeft. Ze vertegenwoordigen de toekomst van hun gemeenschappen.
  • Vrouwen: De discriminatie en ongelijkheid die vrouwen ondergaan zijn talrijk in de arme landen. Ze worden op verschillende vlakken uitgebuit, hebben vaak geen toegang tot onderwijs, worden weinig of niet bezoldigd en moeten al te vaak de opvoeding van de kinderen alleen op zich nemen. Een bevredigend beroep is voor hen een krachtig middel voor zelfontplooiing en maatschappelijke emancipatie.
  • Micro-ondernemers.

Wat is uw ervaring met micro-ondernemers?

Ze stemmen overeen met wat we hier zelfstandigen en zaakvoerders noemen. Hun persoonlijk initiatief stelt hen in staat hun eigen tewerkstelling en die voor behoeftigen te ontwikkelen. Ze vormen de structuur van de informele economie waarmee een belangrijk deel van de arme bevolking wordt onderhouden. ACTEC wil de creatieve krachten van die micro-ondernemers de vrije loop laten zodat zij het statuut van ‘bijgestane persoon’ kunnen verruilen voor dat van ‘promotor van de ontwikkeling van de ander’: hun familie, werknemers, klanten.

Onze programma’s leveren uiterst interessante resultaten op: meer inkomsten, betere kwaliteit van de productieactiviteiten, jobcreatie in marginale wijken, succesverhalen onder kansarme bevolkingsgroepen enz. De micro-ondernemers die aan onze opleidingsprogramma’s deelnemen, zien hun verkoop met 50 % toenemen. Het terugbetalingspercentage van onze microkredieten ligt hoger dan 96 %.

 

Wat denkt u over de evolutie van de ontwikkelingssamenwerking van de voorbije jaren?

Verdeling van de uitgaven van de Belgische Staat voor ontwikkelingssamenwerkingDat is een zeer breed gebied met zeer contrastrijke situaties. In Europa domineert de overheid. Ze hanteert drie financieringskanalen: multilaterale organisaties (VN, Wereldbank, Europese Commissie), openbare ontwikkelingsagentschappen (in België, de BTC – Belgische Technische Coöperatie) die bilaterale projecten uitwerken en tot slot de niet-gouvernementele actoren (ngo’s en universiteiten).
Sedert een tiental jaren zijn de overheden geneigd om acties te bevoorrechten die met de regeringen van de begunstigde landen zijn ondernomen. Dat betekent een groeiende inefficiëntie van de samenwerking omdat de overheden van die landen grotendeels disfunctioneel en ondoeltreffend zijn. Daarnaast verduisteren ze vaak de fondsen die op het bestrijden van de armoede zijn gericht.

 

En in België?

Evolutie van het budget ontwikkelingssamenwerking van de Belgische StaatOndanks de goede bedoelingen is de regering er niet in geslaagd om het solidariteitsgevoel van de grote meerderheid van de Belgen in te lossen. Op het moment dat de regering de verbintenis aangaat om 0,7 % van het bni (bruto nationaal inkomen) voor ontwikkelingssamenwerking beschikbaar te stellen, neemt ze maatregelen die ons van die doelstelling afwenden. Daarnaast is het land dat de meeste subsidies krijgt uit het budget ontwikkelingssamenwerking … België zelf! In strijd met het advies van de sector telt de regering immers in de samenwerking met het Zuiden de uitgaven mee die in België voor de zorg van de migranten in ons land worden gedaan. Het is heel nobel om vluchtelingen te verwelkomen, maar experten zijn eensgezind over de noodzakelijkheid om ontwikkelingssamenwerking en de opvang van vluchtelingen budgetair gescheiden te houden. Wetende dat onze levensstandaard 100 keer beter is dan die van de Congolezen en van veel Afrikanen, is dat een teleurstellende ontwikkeling.

 

Waartoe spoort u dan aan?

Het is veel efficiënter om het welslagen van projecten te bevorderen die van het plaatselijke maatschappelijk middenveld uitgaan. Dat maatschappelijk middenveld (verenigingen, universiteiten, ngo’s, religieuze organisaties enz.) biedt betere garanties dat de hulp de werkelijke doelgroepen van onze gezamenlijke inspanning bereikt. Door die strategie wordt het maatschappelijk middenveld in die landen ook bevorderd waardoor die samenlevingen rijker worden en een betere invloed op de vaak disfunctionele en corrupte overheden kunnen uitoefenen. We moeten de hulp aan de betrokken Staten niet opgeven, maar we moeten wel de beperking van die benadering inzien en dus de samenwerking met het maatschappelijk middenveld voortrekken.

14 april 2017

Burgerschapsvorming of maatschappijleer begrijpen

Geplaatst op in Doelmatig overheidsbeheer, Non classé.

Een van de grootste taken van onze opvoeders en dus van de hele maatschappij is om jonge mensen tot verantwoordelijke burgers op te leiden die zich voor het algemeen belang inzetten. De school kan die ambitie niet alleen realiseren. Immigratie, radicalisering, populisme en de opkomst van het extremistische gedachtegoed moeten ons er doen aan herinneren dat er een tekort aan burgerschapsvorming is.  We beginnen met een stand van zaken in Europa en in de Belgische gemeenschappen. We duiden het soort maatregelen aan dat men van de overheid verwacht.

 

Wat verstaat men onder burgerschapsvorming?

Burgerschapsvorming kan worden begrepen als een leerproces voor effectieve deelname aan democratische processen op alle niveaus van de samenleving. Ze bereidt personen op een efficiënte burgerparticipatie voor en is met de rechten en plichten van de burgers verbonden. Burgerschapsvorming heeft als basisprincipes en -waarden transparantie, deelname, reactiviteit, verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid.

 

Voorwaarden voor burgerschapsvorming

Burgerschapsvorming houdt dus een theoretisch leerproces in, alsook praktijkervaring en de verwerving van sociale vaardigheden. Die opvoeding beperkt zich niet tot de school, noch tot de jeugd. De rol van de ouders is cruciaal, met name op het gebied van motivatie. Media, films, boeken, maar ook alle andere bronnen van ideeën zoals denktanks, intergenerationele dialogen en informele ideeënuitwisselingen vormen ons.

In het onderwijs moet er gekozen worden tussen de oprichting van een apart vak of een diffusere aanpak. We spreken daarbij over inschaling omdat de theoretische kennis in verschillende andere vakken kan worden geïntegreerd. We spreken daarbij ook over interdisciplinair of transversaal leren, in het bijzonder voor de sociale vaardigheden die op een coherente manier in alle vakken aan bod komen.

 

De situatie in Europa

In april 2016 heeft de Raad van Europa een nieuw document goedgekeurd waarin de vaardigheden voor democratisch burgerschap en interculturele dialoog staan beschreven. Met die vaardigheden (waarden, houding, vaardigheden, kennis en kritische blik) zijn mensen in staat om zich als actieve burger in democratische en diverse samenlevingen in te zetten en hun slaagkansen in hun actieve leven te verhogen.

Aanbevelingen komen voortdurend terug op de mogelijkheid voor leerlingen om aan de besluitvorming op school deel te nemen; benoemen de open klassfeer, de versterking van de bekwaamheden van de lesgevers en de samenwerking tussen de verschillende, betrokken partners.

Alle Europese landen zijn het er over eens dat burgerschapsvorming op de een of de andere manier deel van het formele leerprogramma moet uitmaken. Nochtans verschillen de voorwaarden tussen de landen beduidend zonder dat van een dominante aanpak sprake is. Burgerschapsvorming kan als een apart vak worden onderwezen (vaak verplicht) of kan in de gebruikelijke vakken worden geïntegreerd (zoals geschiedenis, cultuurwetenschappen, aardrijkskunde, godsdienst of filosofie) en/of kan als een interdisciplinair thema worden opgevat.

In 2005 heeft de Europese Commissie via Eurydice een verregaand onderzoek geleid over de keuzen van de lidstaten. In het lager onderwijs in de meeste landen wordt burgerschapsvorming in andere vakken geïntegreerd of als een interdisciplinair thema behandeld. In het secundair onderwijs daarentegen (in sommige jaren tenminste) had bijna de helft van de Europese landen daarvoor een apart vak opgericht.

Zweden, een van de meest geavanceerde landen, legt een programma van 855 lessen op die over de 9 jaar van het lager onderwijs en het lager secundair onderwijs zijn verspreid. Burgerschapsvorming is er een volwaardig vak en een interdisciplinaire doelstelling.

Lesgevers mogen ngo’s uitnodigen om specifieke conferenties of workshops te geven, maar ze krijgen zelden een budget om hun gastsprekers te vergoeden.

Verschillende landen hebben vormingscentra opgericht zoals Prodemos in Den Haag en Parlamentarium en BelVue in Brussel, om er maar een paar te noemen.

In 2015, heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité het “Europees paspoort voor actief burgerschap” gepubliceerd. Het Comité biedt er snelgidsen, informatiebladen en brochures over alle aspecten van de moderne Europese democratie. Er is een scala aan middelen om burgerparticipatie in het democratische proces te promoten, en een uitgebreide handleiding over het Europees burgerinitiatief (ECI).

 

De situatie in België

In België hebben de drie gemeenschappen een verschillende koers gekozen. In het algemeen kunnen we toch vaststellen dat directeurs en lesgevers van het lager onderwijs een zekere autonomie in het onderwijs hebben. In het geval van burgerschapsvorming heeft zelfs de Franse Gemeenschap een verplicht programma bewust vermeden.

In de Duitstalige Gemeenschap is maatschappijleer (Bürgerkunde) een interdisciplinair thema in lagere scholen en in de middelbare onderwijsprogramma’s is ze geïntegreerd.

 

De situatie in Vlaanderen

In Vlaamse scholen is maatschappijleer geen apart vak, maar is ze in de transversale doelstellingen geïntegreerd (“vakoverschrijdende ontwikkelingsdoelen en eindtermen”). In het secundair onderwijs zijn die doelstellingen in 7 contexten opgedeeld: lichamelijke gezondheid en veiligheid, mentale gezondheid, sociorelationele ontwikkeling, omgeving en duurzame ontwikkeling, politiek-juridische samenleving, socio-economische samenleving, socioculturele samenleving. De vijfde context (politieke-juridische aspect van een democratische samenleving) is in vier thema’s onderverdeeld: actief burgerschap, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de eigenschappen en de werking van een democratie en de Europese en internationale dimensie.

Verscheidene instellingen stellen materiaal samen voor burgerschapsvorming op school, zoals De Kracht Van Je Stem en Studio Globo.

Filosofische en religieuze vakken (2 lessen per week) spelen een belangrijke rol in de verwezenlijking van die horizontale doelstelling in verband met het burgerschap.  Scholen beslissen vrij over de implementatie ervan.

De noden inzake burgerschapsvorming maken deel uit van het debat over de hervorming van het onderwijs dat momenteel in het Vlaams Parlement loopt .

 

Burgerschapsvorming in de scholen van de Franse Gemeenschap

Sinds 2016 krijgen leerlingen van het lager onderwijs lessen filosofie en burgerschap aangeboden. Die lessen worden wettelijk georganiseerd door het “decreet van 22 oktober 2015 betreffende de organisatie van een cursus filosofie en burgerzin en een opvoeding tot filosofie en burgerzin”. Er was gepland om daarmee in 2017 in het secundair onderwijs te starten, maar de voorbereidingen zouden vertraging hebben opgelopen.

In de door de staat gefinancierde scholen hadden de leerlingen eerder de keuze tussen twee uur religie of zedenleer per week. Die levensbeschouwelijke lesuren zijn nu naar een uur per week verminderd. Het vrijgekomen uur wordt nu specifiek aan filosofie en maatschappijleer besteed.

Het ministerie definieert maatschappijleer als “een begrip van de kwesties betreffende het burgerschap en de ontwikkeling van het kritische denken”. Maatschappijleer wordt niet als een eenvoudige overdracht van regels en gedragingen beschouwd: ze is niet meer een klassieke cursus morele opvoeding. Het onderricht steunt op vier pijlers: kritisch denken, zelfkennis, rechtsgelijkheid en sociale en democratische participatie. In plaats van een formeel programma te verstrekken, beveelt het ministerie een aanzienlijke hoeveelheid boeken, dvd’s, didactisch materiaal en tijdschriften aan de lesgevers aan.

 

Onpartijdigheid

Maatschappijleer mag geen eenzijdige politieke tribune zijn. Over het algemeen is de inhoud onpartijdig. Tegelijkertijd ontwikkelen we het kritische denken beter door op reële gevallen te oefenen. Op school kan de leraar geëngageerde gasten uitnodigen om een workshop te leiden, maar daarbij zal hij tijdens de discussies de rol van onpartijdige moderator of van advocaat van de duivel moeten spelen.

We kunnen niet van de leraars verwachten dat ze persoonlijk onpartijdig zijn, als dat al bestaat. Wat er in het officieel onderwijs wel toe doet, is dat we leraars hebben die zich inspannen om zich in hun vak onpartijdig op te stellen. Die vaardigheid kan men leren. Een acteur die persoonlijk atheïst is, kan namelijk op bevredigende wijze de rol van geestelijke in een film spelen. Een rechter mag een politieke mening hebben en zelfs van een partij lid worden.

Naast onpartijdigheid worden er andere kwaliteiten van een lesgever burgerschap verwacht. Zo zal hij zijn passie voor burgerzin gemakkelijker aan zijn publiek kunnen meegeven als hij zelf een betrokken burger is.

De ouders zijn het beste geplaatst om op het evenwicht van het vak burgerschap toe te zien. Zij merken immers de resultaten van dat vak bij hun kinderen. De directie van de school kan dus beter zorgvuldig naar de ouders luisteren, met dien verstande dat de ontvangen adviezen voldoende representatief zijn voor het hele onderwijs en dat het niet om een individueel probleem gaat.

 

Aanbevelingen

Tijdens een symposium dat op 23 maart 2017 werd georganiseerd, heeft IDEA (Institute for Democracy and Electoral Assistance) een groot aantal spelers uit het veld uitgenodigd en heeft het geprobeerd om aanbevelingen omtrent maatschappijleer te doen. Die aanbevelingen worden onder de volgende thema’s gegroepeerd:

  1. actieve deelname
  2. maatregelen om de kwaliteit van de maatschappijleer in scholen te verbeteren
  3. partnerschappen tussen scholen en de civiele samenleving
  4. financiering
  5. de boodschap aantrekkelijk brengen
  6. kennisoverdracht.

Later komen we op die verschillende aspecten terug. Onthoud voorlopig dat burgerschapsvorming een krachtige factor is in de integratie en de sociale samenhang.

 

Brussel, 4 april 2017